"40 jaar ervaring bij overheid, bedrijfsleven en universiteit. Die wil ik overbrengen op nieuwe generaties. En daarbij zo nu dan lekker polemiseren met de stadskabouters."

Grondbeleid - een onderhoudsbeurt volstaat

Essaybundel van de Raad voor de financiële verhoudingen, Oktober 2017

"40 jaar ervaring bij overheid, bedrijfsleven en universiteit. Die wil ik overbrengen op nieuwe generaties. En daarbij zo nu dan lekker polemiseren met de stadskabouters."

"40 jaar ervaring bij overheid, bedrijfsleven en universiteit. Die wil ik overbrengen op nieuwe generaties. En daarbij zo nu dan lekker polemiseren met de stadskabouters."

FEM Business

‘Ik wil de vrijheid houden die het bedrijf me heeft gegeven’

FEM Business, 17 november 2007

Door René Bogaarts

‘Ik wil de vrijheid houden die het bedrijf me heeft gegeven’

Friso de Zeeuw praat even enthousiast over het Meezingkoor en het DDR- museum in zijn garage, als over de conflicten die kunnen ontstaan door zijn combinatie van functies. “Je moet helder zijn.”
“Doodzonde”, noemt Friso de Zeeuw het dat de Berlijnse Muur bijna in zijn geheel is afgebroken. “Niet alleen uit historische overwegingen, ook uit het oogpunt van marketing en toerisme. Ik snap dat de Duitsers na de hereniging het verleden wilden vergeten, maar nu vragen drommen Japanners zich af waar die Muur staat.” De Zeeuw heeft sinds enkele jaren een appartement in Berlijn. Als directeur Nieuwe Markten van Rabo Bouwfonds en praktijkhoogleraar Gebiedsontwikkeling aan de TU Delft kijkt hij op een bijzondere manier naar de stad. De Zeeuw heeft iets met Oost-Duitsland en Berlijn. Enkele jaren was Bouwfonds actief in de stad, maar dat werd geen succes. De stad is er slecht aan toe en Bouwfonds investeert liever in sterkere steden. Bovendien maakt de Speckgürtel van goedkope huizen die snel na Die Wende rond de stad ontstond, dat er voor een projectontwikkelaar weinig te verdienen valt. Maar De Zeeuw is gebleven. “Ik houd van absurditeiten en die zijn er volop te vinden.” Naast zijn betrokkenheid bij Meezingkoor Waterland, waar amateurs Hollandse liedjes zingen, behoort zijn DDR-museum tot zijn ‘absurde’ hobby’s. “Mijn belangstelling voor de DDR werd gewekt toen ik in 1985 voor het eerst in Oost-Berlijn kwam. Ik nam meteen allerlei spullen mee. Die verzamelwoede groeide toen na 1989 veel DDR-parafernalia op de markt kwamen.”
Op een gegeven moment besefte De Zeeuw dat hij moest stoppen of iets nuttigs moest doen met alle gebruiksvoorwerpen, eretekens en documenten. “Veel verzamelaars hebben hun huis of garage helemaal volgestouwd, maar mijn garage, 21 vierkante meter, is nu een museum, overzichtelijk ingedeeld met vitrinekasten met een mooie verlichting. De meeste bezoekers komen door de week, op afspraak. Mijn vrouw regelt dat dan. Maar soms komen er groepen in het weekend. Onlangs wilde een hele groep in het uniform van de Oost-Duitse Nationale Volks Armee komen. Dat vond ik wat teveel van het goede. Twee personen in uniform was het maximum, zeker omdat er ook voormalige gevangenen zouden komen. Die heb ik van tevoren gewaarschuwd. Mijn hobby is zo serieus dat ik er een boek over geschreven heb, dat verschijnt volgende maand.”

Subsidieruiveniers
De Zeeuw heeft Dauphine uitgekozen voor de lunch, een trendy eetcafé in de voormalige Renaultgarage bij station Amsterdam Amstel. Hij bestelt een glas halfvolle melk, een tosti en een baguette met jonge kaas. “Ik geef helemaal niets om eten. Ik heb ronduit een hekel aan chique restaurants waar van die pinguïns twintig keer komen vragen of het heeft gesmaakt En dan die uitleg bij elke muizenhap die je krijgt voorgeschoteld.
Als ik ’s avonds thuis kom, eet ik het liefst een bakje cashewnoten.” In 1998 maakte De Zeeuw, toen PvdA-gedeputeerde in Noord-Holland, de overstap naar Bouwfonds. “Ik kon het niet opbrengen om nog een keer op verkiezingscampagne te gaan, terwijl je weet dat zoiets nauwelijks invloed heeft. Ik wilde de overstap maken naar het bedrijfsleven. Iets met ruimtelijke ordening, bouwen, verkeer, infrastructuur. Ik vroeg me wel af wie mij wilde hebben, iemand die onafhankelijk is en soms vreselijke dingen zegt. Bij Bouwfonds bleken ze zo iemand te zoeken. Bouwfonds opereerde als een gewoon zakelijk bedrijf, maar dat het toen nog in handen van de Nederlandse gemeenten was, beschouwde ik als een pré.”
“Na de overname door ABN Amro was ik even bang voor bancaire bureaucratie, maar die is achterwege gebleven. ik kan me voorstellen dat ze soms met angst en beven de krant opensloegen, ‘Wat zou hij nu weer gezegd hebben?’ Maar daar heeft men mij nooit op aangesproken. Dat we sinds kort in handen zijn van Rabobank, die veel aandacht heeft voor de maatschappelijke context, is een ruk naar het midden. Daar gaan we wel wat van merken. Rabobank vindt van alles, over milieu bijvoorbeeld. Daar moet je rekening mee houden. ABN Amro vond niks. Dat had nadelen, maar ook voordelen.
Ik heb er aardigheid in de agrarische sector de mantel uit te vegen. ‘Subsidieruiveniers’ noemde ik boeren. Daar moet ik misschien wat omzichtiger mee omgaan. Ik wil de vrijheid houden die dit bedrijf me steeds gegeven heeft, en ik wil dat de bank daar ook de voordelen van ziet. Ik vind bijvoorbeeld, en dat kan ik best onderbouwen, dat het boerenfront soms een krachtige aanpak van natuurbeleid blokkeert. De economische betekenis van het boerenfront is achteruit gegaan, maar in de machtsvorming zie je dat niet helemaal terug. Rabobank speelt daar soms ook een rol in. “Als ik dat kan blijven zeggen, is het goed.” Dat juist Rabobank nu het moederbedrijf is van Bouwfonds, heeft voordelen. Als boeren overwegen hun grond te verkopen, zijn de bank en de projectontwikkelaar er snel hij. “Het probleem is soms dat boeren hun hakken in het zand zetten als hun land aangekocht moet worden voor natuurontwikkeling.
Ze zitten allemaal op de jackpot te wachten. Iedereen hoopt dat op zijn land woningbouw komt, waar het tienvoudige voor betaald wordt. Dat is lastig, want het is maar net waar het streepje tussen groen en rood loopt. In de agrarische sector wordt wel gediscussieerd of er geen mengvergoeding gegeven kan worden.”Als De Zeeuw gevraagd wordt of zo’n mengvergoeding mogelijk is, komt de professor in hem naar boven. Hij pakt een servet en begint te tekenen. “Je moet voor een heel gebied afspreken dat er bijvoorbeeld maar 15 procent woningbouw komt. Daar moet je de prijs op afstemmen. Dat zou een goede oplossing zijn voor het Groene Hart.”

Fake
De Zeeuw blijkt erg ingenomen met de Wet Ruimtelijke Ordening, die 1 juli 2008 in werking treedt. “Die wet is decentraal getoonzet. Ik ondersteun dat in al zijn facetten, en ‘ik’ ben Friso de Zeeuw in al zijn hoedanigheden. Twintig jaar ervaring heeft me geleerd dat centralistisch aangestuurd ruimtelijkeordeningsbeleid fake is. Over de Groene Ruimte bijvoorbeeld zijn dikke pakken papier afgeleverd, maar er is niks van terechtgekomen, omdat er geen bindende afspraken waren tussen overheden onderling en de markt. Bij Vinex waren die er wel.”
Tegenwoordig draait het volgens De Zeeuw niet alleen om de renovatie van de oude wijken en de vrijheid van gemeenten, maar vooral om de nieuwe uitleggebieden in de Randstad. “We, en dat is in dit geval de organisatie van projectontwikkelaars Neprom waar ik adviseur van ben, hebben vorige week een nota gepresenteerd. Enkele grote woningbouwcorporaties, grote steden en provincies hebben zich daarbij aangesloten. Als we die locaties goed willen doen, moeten we kijken naar groen, naar infrastructuur en naar blauw, want dat wordt steeds belangrijker. We willen ervoor gaan, maar dan moet er meer publiek geld hij.”

Heeft u eigenlijk wel invloed?
“Ik voel me niet miskend, maar er wordt nog te weinig geluisterd door Den Haag. Mijn collega’s en ik hebben de ambtelijke bestuurlijke top herhaaldelijke gewaarschuwd dat het een puinbak zou met worden met de Wet Luchtkwaliteit, maar dat is volledig genegeerd. En zie het resultaat. We hebben nu een moeizame wet waarvan we maar moeten afwachten hoe het werkt en intussen wordt er niks gebouwd. Gelukkig is er bij de Wet Ruimtelijke Ordening met de afdeling Grondexploitatie wel geluisterd.

Kan er een tegenstrijdig belang ontstaan tussen de hoogleraar en de directeur Nieuwe Markten?
“Dat zou kunnen. Je moet helder zijn in welke rol je wat zegt. Ik geef een voorbeeld: we gaan meedoen aan onderzoek naar de werking van de nieuwe Grondexploitatiewet, die regelt waar private partijen aan moeten meebetalen. Het gaat daarbij om samenwerkingsmodellen tussen publiek en privaat. Het ministerie van VROM geeft die opdracht aan mij al praktijkhoogleraar, niet als Bouwfondsman, maar de gemeenten willen dat wel graag even zeker weten. Dat begrijp ik.”

Is dat niet lastig?
“Zulke dingen moeten natuurlijk niet te vaak voorkomen, want dan krijg je het model van de gespleten persoonlijkheid. Het wordt nog ingewikkelder als ik optreed als adviseur van Neprom, de organisatie van projectontwikkelaars. Rol numero drie.”

Vervult u die rol van libero?
‘Ja, en dat past me wel. Het is belangrijk om het contact met de mensen te velde te houden. Anders kom je met de voetjes van de vloer en heb je geen meerwaarde meer. Dan ga ik beleidsverhalen houden. Je moet de schakel zijn tussen wetenschap, beleid en de ervaringen van de werkvloer.”

Wat heeft u eigenlijk met dat Meezingkoor?
“Ik ben medeoprichter, voorzitter en ik trommel. Ik hou van die Hollandse liedjes. Toen jaren geleden het tekstboek “Toen wij uit Rotterdam” vertrokken uitkwam heb ik het meteen gekocht. Met vrienden op vakantie gaat het steevast mee. Bij mijn afscheid als gedeputeerde, in 1998, hadden collega’s het Smartlappenkoor uit Wieringen uitgenodigd. Daarna heb ik zelf zo’n koor opgericht.”

Op internet bent u de enige met een pet. Hoe zit dat?
“Dat is toeval. Tegenwoordig draag overigens alleen de dirigent die zeemanspet nog en alleen als we toepasselijke liedjes zingen. We zijn in het rood en zwart gekleed, omdat iedereen dat wel in de kast heeft.” Mag wit ook? “Ja, wit mag als de ‘r” uit de maand is.“

Merken ze er op uw werk nog wat van?
“Meer dan enkelen lief is. Bij Sail Amsterdam regel ik altijd een boot voor Bouwfonds. Een beetje te klein, want je moet echt op elkaar aangewezen zijn. Dan kopieer ik de teksten, neem mijn trommel en twee accordeonisten mee en moet er gezongen worden.”